reflecteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reflecteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reflecteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reflecterend
Past participle - Verleden deelwoord: gereflecteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreflecteer
jijreflecteert
hijreflecteert
wijreflecteren
julliereflecteren
zijreflecteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereflecteerd
jijhebt gereflecteerd
hijheeft gereflecteerd
wijhebben gereflecteerd
julliehebben gereflecteerd
zijhebben gereflecteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreflecteerde
jijreflecteerde
hijreflecteerde
wijreflecteerden
julliereflecteerden
zijreflecteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereflecteerd
jijhad gereflecteerd
hijhad gereflecteerd
wijhadden gereflecteerd
julliehadden gereflecteerd
zijhadden gereflecteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reflecteren
jijzult reflecteren
hijzal reflecteren
wijzullen reflecteren
julliezullen reflecteren
zijzullen reflecteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereflecteerd hebben
jijzult gereflecteerd hebben
hijzal gereflecteerd hebben
wijzullen gereflecteerd hebben
julliezullen gereflecteerd hebben
zijzullen gereflecteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reflecteren
jijzou reflecteren
hijzou reflecteren
wijzouden reflecteren
julliezouden reflecteren
zijzouden reflecteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereflecteerd hebben
jijzou gereflecteerd hebben
hijzou gereflecteerd hebben
wijzouden gereflecteerd hebben
julliezouden gereflecteerd hebben
zijzouden gereflecteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreflecteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information