recepteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of recepteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: recepteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: recepterend
Past participle - Verleden deelwoord: gerecepteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrecepteer
jijrecepteert
hijrecepteert
wijrecepteren
jullierecepteren
zijrecepteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerecepteerd
jijhebt gerecepteerd
hijheeft gerecepteerd
wijhebben gerecepteerd
julliehebben gerecepteerd
zijhebben gerecepteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrecepteerde
jijrecepteerde
hijrecepteerde
wijrecepteerden
jullierecepteerden
zijrecepteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerecepteerd
jijhad gerecepteerd
hijhad gerecepteerd
wijhadden gerecepteerd
julliehadden gerecepteerd
zijhadden gerecepteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal recepteren
jijzult recepteren
hijzal recepteren
wijzullen recepteren
julliezullen recepteren
zijzullen recepteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerecepteerd hebben
jijzult gerecepteerd hebben
hijzal gerecepteerd hebben
wijzullen gerecepteerd hebben
julliezullen gerecepteerd hebben
zijzullen gerecepteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou recepteren
jijzou recepteren
hijzou recepteren
wijzouden recepteren
julliezouden recepteren
zijzouden recepteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerecepteerd hebben
jijzou gerecepteerd hebben
hijzou gerecepteerd hebben
wijzouden gerecepteerd hebben
julliezouden gerecepteerd hebben
zijzouden gerecepteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrecepteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information