effectueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of effectueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: effectueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: effectuerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëffectueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikeffectueer
jijeffectueert
hijeffectueert
wijeffectueren
jullieeffectueren
zijeffectueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëffectueerd
jijhebt geëffectueerd
hijheeft geëffectueerd
wijhebben geëffectueerd
julliehebben geëffectueerd
zijhebben geëffectueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikeffectueerde
jijeffectueerde
hijeffectueerde
wijeffectueerden
jullieeffectueerden
zijeffectueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëffectueerd
jijhad geëffectueerd
hijhad geëffectueerd
wijhadden geëffectueerd
julliehadden geëffectueerd
zijhadden geëffectueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal effectueren
jijzult effectueren
hijzal effectueren
wijzullen effectueren
julliezullen effectueren
zijzullen effectueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëffectueerd hebben
jijzult geëffectueerd hebben
hijzal geëffectueerd hebben
wijzullen geëffectueerd hebben
julliezullen geëffectueerd hebben
zijzullen geëffectueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou effectueren
jijzou effectueren
hijzou effectueren
wijzouden effectueren
julliezouden effectueren
zijzouden effectueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëffectueerd hebben
jijzou geëffectueerd hebben
hijzou geëffectueerd hebben
wijzouden geëffectueerd hebben
julliezouden geëffectueerd hebben
zijzouden geëffectueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijeffectueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French effectuer, from Latin effectuō. See: French 'effectuer', Latin 'effectuō'.

Additional Information