Infinitive - Onbepaalde wijs: radbraken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: radbrakend
Past participle - Verleden deelwoord: geradbraakt
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | radbraak |
| jij | radbraakt |
| hij | radbraakt |
| wij | radbraken |
| jullie | radbraken |
| zij | radbraken |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geradbraakt |
| jij | hebt geradbraakt |
| hij | heeft geradbraakt |
| wij | hebben geradbraakt |
| jullie | hebben geradbraakt |
| zij | hebben geradbraakt |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | radbraakte |
| jij | radbraakte |
| hij | radbraakte |
| wij | radbraakten |
| jullie | radbraakten |
| zij | radbraakten |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geradbraakt |
| jij | had geradbraakt |
| hij | had geradbraakt |
| wij | hadden geradbraakt |
| jullie | hadden geradbraakt |
| zij | hadden geradbraakt |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal radbraken |
| jij | zult radbraken |
| hij | zal radbraken |
| wij | zullen radbraken |
| jullie | zullen radbraken |
| zij | zullen radbraken |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geradbraakt hebben |
| jij | zult geradbraakt hebben |
| hij | zal geradbraakt hebben |
| wij | zullen geradbraakt hebben |
| jullie | zullen geradbraakt hebben |
| zij | zullen geradbraakt hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou radbraken |
| jij | zou radbraken |
| hij | zou radbraken |
| wij | zouden radbraken |
| jullie | zouden radbraken |
| zij | zouden radbraken |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geradbraakt hebben |
| jij | zou geradbraakt hebben |
| hij | zou geradbraakt hebben |
| wij | zouden geradbraakt hebben |
| jullie | zouden geradbraakt hebben |
| zij | zouden geradbraakt hebben |
| jij | radbraak |