radbraken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of radbraken

The word "radbraken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: radbraken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: radbrakend
Past participle - Verleden deelwoord: geradbraakt

Cognates

See the 3 cognates of radbraken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikradbraak
jijradbraakt
hijradbraakt
wijradbraken
jullieradbraken
zijradbraken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geradbraakt
jijhebt geradbraakt
hijheeft geradbraakt
wijhebben geradbraakt
julliehebben geradbraakt
zijhebben geradbraakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikradbraakte
jijradbraakte
hijradbraakte
wijradbraakten
jullieradbraakten
zijradbraakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geradbraakt
jijhad geradbraakt
hijhad geradbraakt
wijhadden geradbraakt
julliehadden geradbraakt
zijhadden geradbraakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal radbraken
jijzult radbraken
hijzal radbraken
wijzullen radbraken
julliezullen radbraken
zijzullen radbraken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geradbraakt hebben
jijzult geradbraakt hebben
hijzal geradbraakt hebben
wijzullen geradbraakt hebben
julliezullen geradbraakt hebben
zijzullen geradbraakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou radbraken
jijzou radbraken
hijzou radbraken
wijzouden radbraken
julliezouden radbraken
zijzouden radbraken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geradbraakt hebben
jijzou geradbraakt hebben
hijzou geradbraakt hebben
wijzouden geradbraakt hebben
julliezouden geradbraakt hebben
zijzouden geradbraakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijradbraak

Verbs similar to 'radbraken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch radebraken. Equivalent to rad (“wheel”) + braken (“to break”).

Verbs referencing "radbraken"

Swedish rådbråka.

Additional Information