pureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: purerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpureer
jijpureert
hijpureert
wijpureren
julliepureren
zijpureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepureerd
jijhebt gepureerd
hijheeft gepureerd
wijhebben gepureerd
julliehebben gepureerd
zijhebben gepureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpureerde
jijpureerde
hijpureerde
wijpureerden
julliepureerden
zijpureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepureerd
jijhad gepureerd
hijhad gepureerd
wijhadden gepureerd
julliehadden gepureerd
zijhadden gepureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pureren
jijzult pureren
hijzal pureren
wijzullen pureren
julliezullen pureren
zijzullen pureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepureerd hebben
jijzult gepureerd hebben
hijzal gepureerd hebben
wijzullen gepureerd hebben
julliezullen gepureerd hebben
zijzullen gepureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pureren
jijzou pureren
hijzou pureren
wijzouden pureren
julliezouden pureren
zijzouden pureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepureerd hebben
jijzou gepureerd hebben
hijzou gepureerd hebben
wijzouden gepureerd hebben
julliezouden gepureerd hebben
zijzouden gepureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpureer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information