peuteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peuteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peuteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peuterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepeuterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeuter
jijpeutert
hijpeutert
wijpeuteren
julliepeuteren
zijpeuteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepeuterd
jijhebt gepeuterd
hijheeft gepeuterd
wijhebben gepeuterd
julliehebben gepeuterd
zijhebben gepeuterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeuterde
jijpeuterde
hijpeuterde
wijpeuterden
julliepeuterden
zijpeuterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepeuterd
jijhad gepeuterd
hijhad gepeuterd
wijhadden gepeuterd
julliehadden gepeuterd
zijhadden gepeuterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peuteren
jijzult peuteren
hijzal peuteren
wijzullen peuteren
julliezullen peuteren
zijzullen peuteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepeuterd hebben
jijzult gepeuterd hebben
hijzal gepeuterd hebben
wijzullen gepeuterd hebben
julliezullen gepeuterd hebben
zijzullen gepeuterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peuteren
jijzou peuteren
hijzou peuteren
wijzouden peuteren
julliezouden peuteren
zijzouden peuteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepeuterd hebben
jijzou gepeuterd hebben
hijzou gepeuterd hebben
wijzouden gepeuterd hebben
julliezouden gepeuterd hebben
zijzouden gepeuterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeuter

Translations

  • niggle, to fidget, to fiddle, to be restless
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch poteren. By surface analysis, poten + -eren.

    Verbs referencing "peuteren"

    English put, English pother.

    Additional Information