deputeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of deputeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: deputeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: deputerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeputeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeputeer
jijdeputeert
hijdeputeert
wijdeputeren
julliedeputeren
zijdeputeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeputeerd
jijhebt gedeputeerd
hijheeft gedeputeerd
wijhebben gedeputeerd
julliehebben gedeputeerd
zijhebben gedeputeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeputeerde
jijdeputeerde
hijdeputeerde
wijdeputeerden
julliedeputeerden
zijdeputeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeputeerd
jijhad gedeputeerd
hijhad gedeputeerd
wijhadden gedeputeerd
julliehadden gedeputeerd
zijhadden gedeputeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal deputeren
jijzult deputeren
hijzal deputeren
wijzullen deputeren
julliezullen deputeren
zijzullen deputeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeputeerd hebben
jijzult gedeputeerd hebben
hijzal gedeputeerd hebben
wijzullen gedeputeerd hebben
julliezullen gedeputeerd hebben
zijzullen gedeputeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou deputeren
jijzou deputeren
hijzou deputeren
wijzouden deputeren
julliezouden deputeren
zijzouden deputeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeputeerd hebben
jijzou gedeputeerd hebben
hijzou gedeputeerd hebben
wijzouden gedeputeerd hebben
julliezouden gedeputeerd hebben
zijzouden gedeputeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeputeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch deputeren, from Old French deputer, from Latin deputō. See: Latin 'deputō'.

Additional Information