Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: opklaren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opklarend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeklaard
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | klaar op |
| jij | klaart op |
| hij | klaart op |
| wij | klaren op |
| jullie | klaren op |
| zij | klaren op |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb opgeklaard |
| jij | hebt opgeklaard |
| hij | heeft opgeklaard |
| wij | hebben opgeklaard |
| jullie | hebben opgeklaard |
| zij | hebben opgeklaard |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | klaarde op |
| jij | klaarde op |
| hij | klaarde op |
| wij | klaarden op |
| jullie | klaarden op |
| zij | klaarden op |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had opgeklaard |
| jij | had opgeklaard |
| hij | had opgeklaard |
| wij | hadden opgeklaard |
| jullie | hadden opgeklaard |
| zij | hadden opgeklaard |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal opklaren |
| jij | zult opklaren |
| hij | zal opklaren |
| wij | zullen opklaren |
| jullie | zullen opklaren |
| zij | zullen opklaren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal opgeklaard hebben |
| jij | zult opgeklaard hebben |
| hij | zal opgeklaard hebben |
| wij | zullen opgeklaard hebben |
| jullie | zullen opgeklaard hebben |
| zij | zullen opgeklaard hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou opklaren |
| jij | zou opklaren |
| hij | zou opklaren |
| wij | zouden opklaren |
| jullie | zouden opklaren |
| zij | zouden opklaren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou opgeklaard hebben |
| jij | zou opgeklaard hebben |
| hij | zou opgeklaard hebben |
| wij | zouden opgeklaard hebben |
| jullie | zouden opgeklaard hebben |
| zij | zouden opgeklaard hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'opklaren'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'opklaren'
beklagen,
copuleren,
epileren,
klagen,
oculeren,
omkeren,
omkleden,
ontladen,
ontleren,
opdragen,
Translations
clear, to become clear or freed from obstructions
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- opfleuren
- opbloeien
Sample Sentences
-
[...] Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker er meer van te kunnen onderscheiden.
(Robinson Crusoe)
-
[...] wel kan denken, liep ik, met mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had aangetroffen, en welke klippen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
Compound of op (“up, on”) + klaren (“to (make/become) clear”). Compare also German aufklären, which is a calque of Middle Low German upklāren. See: German, old spelling '
aufklären'.
Verbs referencing "opklaren"
German, old spelling
aufklären.
Additional Information