opklaren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opklaren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opklaren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opklarend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeklaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklaar op
jijklaart op
hijklaart op
wijklaren op
jullieklaren op
zijklaren op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgeklaard
jijhebt opgeklaard
hijheeft opgeklaard
wijhebben opgeklaard
julliehebben opgeklaard
zijhebben opgeklaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklaarde op
jijklaarde op
hijklaarde op
wijklaarden op
jullieklaarden op
zijklaarden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgeklaard
jijhad opgeklaard
hijhad opgeklaard
wijhadden opgeklaard
julliehadden opgeklaard
zijhadden opgeklaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opklaren
jijzult opklaren
hijzal opklaren
wijzullen opklaren
julliezullen opklaren
zijzullen opklaren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgeklaard hebben
jijzult opgeklaard hebben
hijzal opgeklaard hebben
wijzullen opgeklaard hebben
julliezullen opgeklaard hebben
zijzullen opgeklaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opklaren
jijzou opklaren
hijzou opklaren
wijzouden opklaren
julliezouden opklaren
zijzouden opklaren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgeklaard hebben
jijzou opgeklaard hebben
hijzou opgeklaard hebben
wijzouden opgeklaard hebben
julliezouden opgeklaard hebben
zijzouden opgeklaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklaar op

Translations

  • clear, to become clear or freed from obstructions
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opfleuren
    opbloeien

    Sample Sentences

    • [...] Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker er meer van te kunnen onderscheiden. (Robinson Crusoe)
    • [...] wel kan denken, liep ik, met mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had aangetroffen, en welke klippen [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    Compound of op (“up, on”) + klaren (“to (make/become) clear”). Compare also German aufklären, which is a calque of Middle Low German upklāren. See: German, old spelling 'aufklären'.

    Verbs referencing "opklaren"

    German, old spelling aufklären.

    Additional Information