openbreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of openbreken

The word "openbreken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: openbreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: openbrekend
Past participle - Verleden deelwoord: opengebreekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreek open
jijbreekt open
hijbreekt open
wijbreken open
julliebreken open
zijbreken open

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opengebreekt
jijhebt opengebreekt
hijheeft opengebreekt
wijhebben opengebreekt
julliehebben opengebreekt
zijhebben opengebreekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbreekte open
jijbreekte open
hijbreekte open
wijbreekten open
julliebreekten open
zijbreekten open

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opengebreekt
jijhad opengebreekt
hijhad opengebreekt
wijhadden opengebreekt
julliehadden opengebreekt
zijhadden opengebreekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal openbreken
jijzult openbreken
hijzal openbreken
wijzullen openbreken
julliezullen openbreken
zijzullen openbreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opengebreekt hebben
jijzult opengebreekt hebben
hijzal opengebreekt hebben
wijzullen opengebreekt hebben
julliezullen opengebreekt hebben
zijzullen opengebreekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou openbreken
jijzou openbreken
hijzou openbreken
wijzouden openbreken
julliezouden openbreken
zijzouden openbreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opengebreekt hebben
jijzou opengebreekt hebben
hijzou opengebreekt hebben
wijzouden opengebreekt hebben
julliezouden opengebreekt hebben
zijzouden opengebreekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreek open

Verbs conjugated like 'openbreken'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'openbreken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of open + breken.

Additional Information