omroeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omroeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omroeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omroerend
Past participle - Verleden deelwoord: omgeroerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroer om
jijroert om
hijroert om
wijroeren om
jullieroeren om
zijroeren om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgeroerd
jijhebt omgeroerd
hijheeft omgeroerd
wijhebben omgeroerd
julliehebben omgeroerd
zijhebben omgeroerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroerde om
jijroerde om
hijroerde om
wijroerden om
jullieroerden om
zijroerden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgeroerd
jijhad omgeroerd
hijhad omgeroerd
wijhadden omgeroerd
julliehadden omgeroerd
zijhadden omgeroerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omroeren
jijzult omroeren
hijzal omroeren
wijzullen omroeren
julliezullen omroeren
zijzullen omroeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgeroerd hebben
jijzult omgeroerd hebben
hijzal omgeroerd hebben
wijzullen omgeroerd hebben
julliezullen omgeroerd hebben
zijzullen omgeroerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omroeren
jijzou omroeren
hijzou omroeren
wijzouden omroeren
julliezouden omroeren
zijzouden omroeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgeroerd hebben
jijzou omgeroerd hebben
hijzou omgeroerd hebben
wijzouden omgeroerd hebben
julliezouden omgeroerd hebben
zijzouden omgeroerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroer om

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information