nabespreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nabespreken

The word "nabespreken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nabespreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nabesprekend
Past participle - Verleden deelwoord: nabespreekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespreek na
jijbespreekt na
hijbespreekt na
wijbespreken na
julliebespreken na
zijbespreken na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nabespreekt
jijhebt nabespreekt
hijheeft nabespreekt
wijhebben nabespreekt
julliehebben nabespreekt
zijhebben nabespreekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespreekte na
jijbespreekte na
hijbespreekte na
wijbespreekten na
julliebespreekten na
zijbespreekten na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nabespreekt
jijhad nabespreekt
hijhad nabespreekt
wijhadden nabespreekt
julliehadden nabespreekt
zijhadden nabespreekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nabespreken
jijzult nabespreken
hijzal nabespreken
wijzullen nabespreken
julliezullen nabespreken
zijzullen nabespreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nabespreekt hebben
jijzult nabespreekt hebben
hijzal nabespreekt hebben
wijzullen nabespreekt hebben
julliezullen nabespreekt hebben
zijzullen nabespreekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nabespreken
jijzou nabespreken
hijzou nabespreken
wijzouden nabespreken
julliezouden nabespreken
zijzouden nabespreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nabespreekt hebben
jijzou nabespreekt hebben
hijzou nabespreekt hebben
wijzouden nabespreekt hebben
julliezouden nabespreekt hebben
zijzouden nabespreekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespreek na

Verbs conjugated like 'nabespreken'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'nabespreken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information