munten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of munten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: munten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: muntend
Past participle - Verleden deelwoord: gemunt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmunt
jijmunt
hijmunt
wijmunten
julliemunten
zijmunten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemunt
jijhebt gemunt
hijheeft gemunt
wijhebben gemunt
julliehebben gemunt
zijhebben gemunt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmuntte
jijmuntte
hijmuntte
wijmuntten
julliemuntten
zijmuntten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemunt
jijhad gemunt
hijhad gemunt
wijhadden gemunt
julliehadden gemunt
zijhadden gemunt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal munten
jijzult munten
hijzal munten
wijzullen munten
julliezullen munten
zijzullen munten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemunt hebben
jijzult gemunt hebben
hijzal gemunt hebben
wijzullen gemunt hebben
julliezullen gemunt hebben
zijzullen gemunt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou munten
jijzou munten
hijzou munten
wijzouden munten
julliezouden munten
zijzouden munten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemunt hebben
jijzou gemunt hebben
hijzou gemunt hebben
wijzouden gemunt hebben
julliezouden gemunt hebben
zijzouden gemunt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmunt

Translations

  • coin, to create coins
  • mint, to reproduce coins
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    doelen
    mikken, richten

    Sample Sentences

    Etymology

    From munt + -en.

    Additional Information