minoreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of minoreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: minoreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: minorerend
Past participle - Verleden deelwoord: geminoreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikminoreer
jijminoreert
hijminoreert
wijminoreren
jullieminoreren
zijminoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geminoreerd
jijhebt geminoreerd
hijheeft geminoreerd
wijhebben geminoreerd
julliehebben geminoreerd
zijhebben geminoreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikminoreerde
jijminoreerde
hijminoreerde
wijminoreerden
jullieminoreerden
zijminoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geminoreerd
jijhad geminoreerd
hijhad geminoreerd
wijhadden geminoreerd
julliehadden geminoreerd
zijhadden geminoreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal minoreren
jijzult minoreren
hijzal minoreren
wijzullen minoreren
julliezullen minoreren
zijzullen minoreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geminoreerd hebben
jijzult geminoreerd hebben
hijzal geminoreerd hebben
wijzullen geminoreerd hebben
julliezullen geminoreerd hebben
zijzullen geminoreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou minoreren
jijzou minoreren
hijzou minoreren
wijzouden minoreren
julliezouden minoreren
zijzouden minoreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geminoreerd hebben
jijzou geminoreerd hebben
hijzou geminoreerd hebben
wijzouden geminoreerd hebben
julliezouden geminoreerd hebben
zijzouden geminoreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijminoreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information