milderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of milderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: milderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: milderend
Past participle - Verleden deelwoord: gemilderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmilder
jijmildert
hijmildert
wijmilderen
julliemilderen
zijmilderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemilderd
jijhebt gemilderd
hijheeft gemilderd
wijhebben gemilderd
julliehebben gemilderd
zijhebben gemilderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmilderde
jijmilderde
hijmilderde
wijmilderden
julliemilderden
zijmilderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemilderd
jijhad gemilderd
hijhad gemilderd
wijhadden gemilderd
julliehadden gemilderd
zijhadden gemilderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal milderen
jijzult milderen
hijzal milderen
wijzullen milderen
julliezullen milderen
zijzullen milderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemilderd hebben
jijzult gemilderd hebben
hijzal gemilderd hebben
wijzullen gemilderd hebben
julliezullen gemilderd hebben
zijzullen gemilderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou milderen
jijzou milderen
hijzou milderen
wijzouden milderen
julliezouden milderen
zijzouden milderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemilderd hebben
jijzou gemilderd hebben
hijzou gemilderd hebben
wijzouden gemilderd hebben
julliezouden gemilderd hebben
zijzouden gemilderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmilder

Translations

  • alleviate, make less severe
  • moderate, to reduce the excessiveness
  • relent, become less severe, soften in temper
  • subside, to fall into a state of calm; to settle down; to become tranquil; to abate
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information