manken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of manken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: manken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mankend
Past participle - Verleden deelwoord: gemankt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmank
jijmankt
hijmankt
wijmanken
julliemanken
zijmanken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemankt
jijhebt gemankt
hijheeft gemankt
wijhebben gemankt
julliehebben gemankt
zijhebben gemankt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmankte
jijmankte
hijmankte
wijmankten
julliemankten
zijmankten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemankt
jijhad gemankt
hijhad gemankt
wijhadden gemankt
julliehadden gemankt
zijhadden gemankt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal manken
jijzult manken
hijzal manken
wijzullen manken
julliezullen manken
zijzullen manken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemankt hebben
jijzult gemankt hebben
hijzal gemankt hebben
wijzullen gemankt hebben
julliezullen gemankt hebben
zijzullen gemankt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou manken
jijzou manken
hijzou manken
wijzouden manken
julliezouden manken
zijzouden manken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemankt hebben
jijzou gemankt hebben
hijzou gemankt hebben
wijzouden gemankt hebben
julliezouden gemankt hebben
zijzouden gemankt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmank

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Die hond mankt! (That dog is limping!)

Etymology

Additional Information