longeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of longeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: longeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: longerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelongeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklongeer
jijlongeert
hijlongeert
wijlongeren
jullielongeren
zijlongeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelongeerd
jijhebt gelongeerd
hijheeft gelongeerd
wijhebben gelongeerd
julliehebben gelongeerd
zijhebben gelongeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklongeerde
jijlongeerde
hijlongeerde
wijlongeerden
jullielongeerden
zijlongeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelongeerd
jijhad gelongeerd
hijhad gelongeerd
wijhadden gelongeerd
julliehadden gelongeerd
zijhadden gelongeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal longeren
jijzult longeren
hijzal longeren
wijzullen longeren
julliezullen longeren
zijzullen longeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelongeerd hebben
jijzult gelongeerd hebben
hijzal gelongeerd hebben
wijzullen gelongeerd hebben
julliezullen gelongeerd hebben
zijzullen gelongeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou longeren
jijzou longeren
hijzou longeren
wijzouden longeren
julliezouden longeren
zijzouden longeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelongeerd hebben
jijzou gelongeerd hebben
hijzou gelongeerd hebben
wijzouden gelongeerd hebben
julliezouden gelongeerd hebben
zijzouden gelongeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlongeer

Translations

  • longe, work a horse in a circle
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information