lepelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lepelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lepelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lepelend
Past participle - Verleden deelwoord: gelepeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklepel
jijlepelt
hijlepelt
wijlepelen
jullielepelen
zijlepelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelepeld
jijhebt gelepeld
hijheeft gelepeld
wijhebben gelepeld
julliehebben gelepeld
zijhebben gelepeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklepelde
jijlepelde
hijlepelde
wijlepelden
jullielepelden
zijlepelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelepeld
jijhad gelepeld
hijhad gelepeld
wijhadden gelepeld
julliehadden gelepeld
zijhadden gelepeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lepelen
jijzult lepelen
hijzal lepelen
wijzullen lepelen
julliezullen lepelen
zijzullen lepelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelepeld hebben
jijzult gelepeld hebben
hijzal gelepeld hebben
wijzullen gelepeld hebben
julliezullen gelepeld hebben
zijzullen gelepeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lepelen
jijzou lepelen
hijzou lepelen
wijzouden lepelen
julliezouden lepelen
zijzouden lepelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelepeld hebben
jijzou gelepeld hebben
hijzou gelepeld hebben
wijzouden gelepeld hebben
julliezouden gelepeld hebben
zijzouden gelepeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlepel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From lepel (“spoon”, masculine noun) + -en (denominative suffix).

Additional Information