kloosteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kloosteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kloosteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kloosterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekloosterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklooster
jijkloostert
hijkloostert
wijkloosteren
julliekloosteren
zijkloosteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekloosterd
jijhebt gekloosterd
hijheeft gekloosterd
wijhebben gekloosterd
julliehebben gekloosterd
zijhebben gekloosterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkloosterde
jijkloosterde
hijkloosterde
wijkloosterden
julliekloosterden
zijkloosterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekloosterd
jijhad gekloosterd
hijhad gekloosterd
wijhadden gekloosterd
julliehadden gekloosterd
zijhadden gekloosterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kloosteren
jijzult kloosteren
hijzal kloosteren
wijzullen kloosteren
julliezullen kloosteren
zijzullen kloosteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekloosterd hebben
jijzult gekloosterd hebben
hijzal gekloosterd hebben
wijzullen gekloosterd hebben
julliezullen gekloosterd hebben
zijzullen gekloosterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kloosteren
jijzou kloosteren
hijzou kloosteren
wijzouden kloosteren
julliezouden kloosteren
zijzouden kloosteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekloosterd hebben
jijzou gekloosterd hebben
hijzou gekloosterd hebben
wijzouden gekloosterd hebben
julliezouden gekloosterd hebben
zijzouden gekloosterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklooster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information