kosteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kosteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kosteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kosterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekosterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoster
jijkostert
hijkostert
wijkosteren
julliekosteren
zijkosteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekosterd
jijhebt gekosterd
hijheeft gekosterd
wijhebben gekosterd
julliehebben gekosterd
zijhebben gekosterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkosterde
jijkosterde
hijkosterde
wijkosterden
julliekosterden
zijkosterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekosterd
jijhad gekosterd
hijhad gekosterd
wijhadden gekosterd
julliehadden gekosterd
zijhadden gekosterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kosteren
jijzult kosteren
hijzal kosteren
wijzullen kosteren
julliezullen kosteren
zijzullen kosteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekosterd hebben
jijzult gekosterd hebben
hijzal gekosterd hebben
wijzullen gekosterd hebben
julliezullen gekosterd hebben
zijzullen gekosterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kosteren
jijzou kosteren
hijzou kosteren
wijzouden kosteren
julliezouden kosteren
zijzouden kosteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekosterd hebben
jijzou gekosterd hebben
hijzou gekosterd hebben
wijzouden gekosterd hebben
julliezouden gekosterd hebben
zijzouden gekosterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information