kasjeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kasjeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kasjeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kasjerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekasjerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkasjer
jijkasjert
hijkasjert
wijkasjeren
julliekasjeren
zijkasjeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekasjerd
jijhebt gekasjerd
hijheeft gekasjerd
wijhebben gekasjerd
julliehebben gekasjerd
zijhebben gekasjerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkasjerde
jijkasjerde
hijkasjerde
wijkasjerden
julliekasjerden
zijkasjerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekasjerd
jijhad gekasjerd
hijhad gekasjerd
wijhadden gekasjerd
julliehadden gekasjerd
zijhadden gekasjerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kasjeren
jijzult kasjeren
hijzal kasjeren
wijzullen kasjeren
julliezullen kasjeren
zijzullen kasjeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekasjerd hebben
jijzult gekasjerd hebben
hijzal gekasjerd hebben
wijzullen gekasjerd hebben
julliezullen gekasjerd hebben
zijzullen gekasjerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kasjeren
jijzou kasjeren
hijzou kasjeren
wijzouden kasjeren
julliezouden kasjeren
zijzouden kasjeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekasjerd hebben
jijzou gekasjerd hebben
hijzou gekasjerd hebben
wijzouden gekasjerd hebben
julliezouden gekasjerd hebben
zijzouden gekasjerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkasjer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information