faseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of faseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: faseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: faserend
Past participle - Verleden deelwoord: gefaseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfaseer
jijfaseert
hijfaseert
wijfaseren
julliefaseren
zijfaseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefaseerd
jijhebt gefaseerd
hijheeft gefaseerd
wijhebben gefaseerd
julliehebben gefaseerd
zijhebben gefaseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfaseerde
jijfaseerde
hijfaseerde
wijfaseerden
julliefaseerden
zijfaseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefaseerd
jijhad gefaseerd
hijhad gefaseerd
wijhadden gefaseerd
julliehadden gefaseerd
zijhadden gefaseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal faseren
jijzult faseren
hijzal faseren
wijzullen faseren
julliezullen faseren
zijzullen faseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefaseerd hebben
jijzult gefaseerd hebben
hijzal gefaseerd hebben
wijzullen gefaseerd hebben
julliezullen gefaseerd hebben
zijzullen gefaseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou faseren
jijzou faseren
hijzou faseren
wijzouden faseren
julliezouden faseren
zijzouden faseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefaseerd hebben
jijzou gefaseerd hebben
hijzou gefaseerd hebben
wijzouden gefaseerd hebben
julliezouden gefaseerd hebben
zijzouden gefaseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfaseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information