kapotmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kapotmaken

The word "kapotmaken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kapotmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kapotmakend
Past participle - Verleden deelwoord: gekapotmaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkapotmaak
jijkapotmaakt
hijkapotmaakt
wijkapotmaken
julliekapotmaken
zijkapotmaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekapotmaakt
jijhebt gekapotmaakt
hijheeft gekapotmaakt
wijhebben gekapotmaakt
julliehebben gekapotmaakt
zijhebben gekapotmaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkapotmaakte
jijkapotmaakte
hijkapotmaakte
wijkapotmaakten
julliekapotmaakten
zijkapotmaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekapotmaakt
jijhad gekapotmaakt
hijhad gekapotmaakt
wijhadden gekapotmaakt
julliehadden gekapotmaakt
zijhadden gekapotmaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kapotmaken
jijzult kapotmaken
hijzal kapotmaken
wijzullen kapotmaken
julliezullen kapotmaken
zijzullen kapotmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekapotmaakt hebben
jijzult gekapotmaakt hebben
hijzal gekapotmaakt hebben
wijzullen gekapotmaakt hebben
julliezullen gekapotmaakt hebben
zijzullen gekapotmaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kapotmaken
jijzou kapotmaken
hijzou kapotmaken
wijzouden kapotmaken
julliezouden kapotmaken
zijzouden kapotmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekapotmaakt hebben
jijzou gekapotmaakt hebben
hijzou gekapotmaakt hebben
wijzouden gekapotmaakt hebben
julliezouden gekapotmaakt hebben
zijzouden gekapotmaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkapotmaak

Verbs conjugated like 'kapotmaken'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'kapotmaken'

Translations

  • break, transitive: to cause to stop functioning
  • trash, to beat soundly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From kapot + maken.

    Additional Information