irrigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of irrigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: irrigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: irrigerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïrrigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikirrigeer
jijirrigeert
hijirrigeert
wijirrigeren
jullieirrigeren
zijirrigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïrrigeerd
jijhebt geïrrigeerd
hijheeft geïrrigeerd
wijhebben geïrrigeerd
julliehebben geïrrigeerd
zijhebben geïrrigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikirrigeerde
jijirrigeerde
hijirrigeerde
wijirrigeerden
jullieirrigeerden
zijirrigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïrrigeerd
jijhad geïrrigeerd
hijhad geïrrigeerd
wijhadden geïrrigeerd
julliehadden geïrrigeerd
zijhadden geïrrigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal irrigeren
jijzult irrigeren
hijzal irrigeren
wijzullen irrigeren
julliezullen irrigeren
zijzullen irrigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïrrigeerd hebben
jijzult geïrrigeerd hebben
hijzal geïrrigeerd hebben
wijzullen geïrrigeerd hebben
julliezullen geïrrigeerd hebben
zijzullen geïrrigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou irrigeren
jijzou irrigeren
hijzou irrigeren
wijzouden irrigeren
julliezouden irrigeren
zijzouden irrigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïrrigeerd hebben
jijzou geïrrigeerd hebben
hijzou geïrrigeerd hebben
wijzouden geïrrigeerd hebben
julliezouden geïrrigeerd hebben
zijzouden geïrrigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijirrigeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French irriguer, from Latin irrigō. See: French 'irriguer', Latin 'irrigō'.

Additional Information