innoveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of innoveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: innoveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: innoverend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnnoveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinnoveer
jijinnoveert
hijinnoveert
wijinnoveren
jullieinnoveren
zijinnoveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnnoveerd
jijhebt geïnnoveerd
hijheeft geïnnoveerd
wijhebben geïnnoveerd
julliehebben geïnnoveerd
zijhebben geïnnoveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinnoveerde
jijinnoveerde
hijinnoveerde
wijinnoveerden
jullieinnoveerden
zijinnoveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnnoveerd
jijhad geïnnoveerd
hijhad geïnnoveerd
wijhadden geïnnoveerd
julliehadden geïnnoveerd
zijhadden geïnnoveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal innoveren
jijzult innoveren
hijzal innoveren
wijzullen innoveren
julliezullen innoveren
zijzullen innoveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnnoveerd hebben
jijzult geïnnoveerd hebben
hijzal geïnnoveerd hebben
wijzullen geïnnoveerd hebben
julliezullen geïnnoveerd hebben
zijzullen geïnnoveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou innoveren
jijzou innoveren
hijzou innoveren
wijzouden innoveren
julliezouden innoveren
zijzouden innoveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnnoveerd hebben
jijzou geïnnoveerd hebben
hijzou geïnnoveerd hebben
wijzouden geïnnoveerd hebben
julliezouden geïnnoveerd hebben
zijzouden geïnnoveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinnoveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French innover, from Latin innovāre. See: Latin 'innovo'.

Additional Information