innen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of innen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: innen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: innend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikin
jijint
hijint
wijinnen
jullieinnen
zijinnen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnd
jijhebt geïnd
hijheeft geïnd
wijhebben geïnd
julliehebben geïnd
zijhebben geïnd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinde
jijinde
hijinde
wijinden
jullieinden
zijinden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnd
jijhad geïnd
hijhad geïnd
wijhadden geïnd
julliehadden geïnd
zijhadden geïnd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal innen
jijzult innen
hijzal innen
wijzullen innen
julliezullen innen
zijzullen innen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnd hebben
jijzult geïnd hebben
hijzal geïnd hebben
wijzullen geïnd hebben
julliezullen geïnd hebben
zijzullen geïnd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou innen
jijzou innen
hijzou innen
wijzouden innen
julliezouden innen
zijzouden innen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnd hebben
jijzou geïnd hebben
hijzou geïnd hebben
wijzouden geïnd hebben
julliezouden geïnd hebben
zijzouden geïnd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijin

Translations

  • cash, to exchange (a check/cheque) for money
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch innen. Equivalent to in + -en. See: Middle Dutch 'innen'.

    Additional Information