indexeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of indexeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: indexeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: indexerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïndexeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikindexeer
jijindexeert
hijindexeert
wijindexeren
jullieindexeren
zijindexeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïndexeerd
jijhebt geïndexeerd
hijheeft geïndexeerd
wijhebben geïndexeerd
julliehebben geïndexeerd
zijhebben geïndexeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikindexeerde
jijindexeerde
hijindexeerde
wijindexeerden
jullieindexeerden
zijindexeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïndexeerd
jijhad geïndexeerd
hijhad geïndexeerd
wijhadden geïndexeerd
julliehadden geïndexeerd
zijhadden geïndexeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal indexeren
jijzult indexeren
hijzal indexeren
wijzullen indexeren
julliezullen indexeren
zijzullen indexeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïndexeerd hebben
jijzult geïndexeerd hebben
hijzal geïndexeerd hebben
wijzullen geïndexeerd hebben
julliezullen geïndexeerd hebben
zijzullen geïndexeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou indexeren
jijzou indexeren
hijzou indexeren
wijzouden indexeren
julliezouden indexeren
zijzouden indexeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïndexeerd hebben
jijzou geïndexeerd hebben
hijzou geïndexeerd hebben
wijzouden geïndexeerd hebben
julliezouden geïndexeerd hebben
zijzouden geïndexeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijindexeer

Translations

  • index, to arrange an index
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information