indelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of indelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: indelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: indelend
Past participle - Verleden deelwoord: ingedeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeel in
jijdeelt in
hijdeelt in
wijdelen in
julliedelen in
zijdelen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingedeeld
jijhebt ingedeeld
hijheeft ingedeeld
wijhebben ingedeeld
julliehebben ingedeeld
zijhebben ingedeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeelde in
jijdeelde in
hijdeelde in
wijdeelden in
julliedeelden in
zijdeelden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingedeeld
jijhad ingedeeld
hijhad ingedeeld
wijhadden ingedeeld
julliehadden ingedeeld
zijhadden ingedeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal indelen
jijzult indelen
hijzal indelen
wijzullen indelen
julliezullen indelen
zijzullen indelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingedeeld hebben
jijzult ingedeeld hebben
hijzal ingedeeld hebben
wijzullen ingedeeld hebben
julliezullen ingedeeld hebben
zijzullen ingedeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou indelen
jijzou indelen
hijzou indelen
wijzouden indelen
julliezouden indelen
zijzouden indelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingedeeld hebben
jijzou ingedeeld hebben
hijzou ingedeeld hebben
wijzouden ingedeeld hebben
julliezouden ingedeeld hebben
zijzouden ingedeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeel in

Translations

  • distribute, to classify or separate into categories
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    rangschikken
    opstellen, ordenen

    Sample Sentences

    Etymology

    From in + delen.

    Additional Information