inactiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inactiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inactiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inactiverend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnactiveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinactiveer
jijinactiveert
hijinactiveert
wijinactiveren
jullieinactiveren
zijinactiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnactiveerd
jijhebt geïnactiveerd
hijheeft geïnactiveerd
wijhebben geïnactiveerd
julliehebben geïnactiveerd
zijhebben geïnactiveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinactiveerde
jijinactiveerde
hijinactiveerde
wijinactiveerden
jullieinactiveerden
zijinactiveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnactiveerd
jijhad geïnactiveerd
hijhad geïnactiveerd
wijhadden geïnactiveerd
julliehadden geïnactiveerd
zijhadden geïnactiveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inactiveren
jijzult inactiveren
hijzal inactiveren
wijzullen inactiveren
julliezullen inactiveren
zijzullen inactiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnactiveerd hebben
jijzult geïnactiveerd hebben
hijzal geïnactiveerd hebben
wijzullen geïnactiveerd hebben
julliezullen geïnactiveerd hebben
zijzullen geïnactiveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inactiveren
jijzou inactiveren
hijzou inactiveren
wijzouden inactiveren
julliezouden inactiveren
zijzouden inactiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnactiveerd hebben
jijzou geïnactiveerd hebben
hijzou geïnactiveerd hebben
wijzouden geïnactiveerd hebben
julliezouden geïnactiveerd hebben
zijzouden geïnactiveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinactiveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information