hoereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hoereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hoereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hoererend
Past participle - Verleden deelwoord: gehoereerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoereer
jijhoereert
hijhoereert
wijhoereren
julliehoereren
zijhoereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehoereerd
jijhebt gehoereerd
hijheeft gehoereerd
wijhebben gehoereerd
julliehebben gehoereerd
zijhebben gehoereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhoereerde
jijhoereerde
hijhoereerde
wijhoereerden
julliehoereerden
zijhoereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehoereerd
jijhad gehoereerd
hijhad gehoereerd
wijhadden gehoereerd
julliehadden gehoereerd
zijhadden gehoereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hoereren
jijzult hoereren
hijzal hoereren
wijzullen hoereren
julliezullen hoereren
zijzullen hoereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehoereerd hebben
jijzult gehoereerd hebben
hijzal gehoereerd hebben
wijzullen gehoereerd hebben
julliezullen gehoereerd hebben
zijzullen gehoereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hoereren
jijzou hoereren
hijzou hoereren
wijzouden hoereren
julliezouden hoereren
zijzouden hoereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehoereerd hebben
jijzou gehoereerd hebben
hijzou gehoereerd hebben
wijzouden gehoereerd hebben
julliezouden gehoereerd hebben
zijzouden gehoereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoereer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information