modereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of modereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: modereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: modererend
Past participle - Verleden deelwoord: gemodereerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmodereer
jijmodereert
hijmodereert
wijmodereren
julliemodereren
zijmodereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemodereerd
jijhebt gemodereerd
hijheeft gemodereerd
wijhebben gemodereerd
julliehebben gemodereerd
zijhebben gemodereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmodereerde
jijmodereerde
hijmodereerde
wijmodereerden
julliemodereerden
zijmodereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemodereerd
jijhad gemodereerd
hijhad gemodereerd
wijhadden gemodereerd
julliehadden gemodereerd
zijhadden gemodereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal modereren
jijzult modereren
hijzal modereren
wijzullen modereren
julliezullen modereren
zijzullen modereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemodereerd hebben
jijzult gemodereerd hebben
hijzal gemodereerd hebben
wijzullen gemodereerd hebben
julliezullen gemodereerd hebben
zijzullen gemodereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou modereren
jijzou modereren
hijzou modereren
wijzouden modereren
julliezouden modereren
zijzouden modereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemodereerd hebben
jijzou gemodereerd hebben
hijzou gemodereerd hebben
wijzouden gemodereerd hebben
julliezouden gemodereerd hebben
zijzouden gemodereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmodereer

Translations

  • host, perform the role of a host
  • moderate, to preside over as a moderator
  • moderate, to act as a moderator
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "modereren"

    French modérer.

    Additional Information