hekelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hekelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hekelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hekelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehekeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhekel
jijhekelt
hijhekelt
wijhekelen
julliehekelen
zijhekelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehekeld
jijhebt gehekeld
hijheeft gehekeld
wijhebben gehekeld
julliehebben gehekeld
zijhebben gehekeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhekelde
jijhekelde
hijhekelde
wijhekelden
julliehekelden
zijhekelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehekeld
jijhad gehekeld
hijhad gehekeld
wijhadden gehekeld
julliehadden gehekeld
zijhadden gehekeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hekelen
jijzult hekelen
hijzal hekelen
wijzullen hekelen
julliezullen hekelen
zijzullen hekelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehekeld hebben
jijzult gehekeld hebben
hijzal gehekeld hebben
wijzullen gehekeld hebben
julliezullen gehekeld hebben
zijzullen gehekeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hekelen
jijzou hekelen
hijzou hekelen
wijzouden hekelen
julliezouden hekelen
zijzouden hekelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehekeld hebben
jijzou gehekeld hebben
hijzou gehekeld hebben
wijzouden gehekeld hebben
julliezouden gehekeld hebben
zijzouden gehekeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhekel

Translations

  • criticize, to find fault
  • heckle, insult, tease, make fun of, badger
  • taunt, to make fun of (someone); to goad into responding
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch hēkelen, from Old Dutch *hekilon, from Proto-West Germanic *hakilōn. See: Old Dutch '*hekilon'.

    Additional Information