gijzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gijzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gijzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gijzelend
Past participle - Verleden deelwoord: gegijzeld

Cognates

See the 2 cognates of gijzelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgijzel
jijgijzelt
hijgijzelt
wijgijzelen
julliegijzelen
zijgijzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegijzeld
jijhebt gegijzeld
hijheeft gegijzeld
wijhebben gegijzeld
julliehebben gegijzeld
zijhebben gegijzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgijzelde
jijgijzelde
hijgijzelde
wijgijzelden
julliegijzelden
zijgijzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegijzeld
jijhad gegijzeld
hijhad gegijzeld
wijhadden gegijzeld
julliehadden gegijzeld
zijhadden gegijzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gijzelen
jijzult gijzelen
hijzal gijzelen
wijzullen gijzelen
julliezullen gijzelen
zijzullen gijzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegijzeld hebben
jijzult gegijzeld hebben
hijzal gegijzeld hebben
wijzullen gegijzeld hebben
julliezullen gegijzeld hebben
zijzullen gegijzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gijzelen
jijzou gijzelen
hijzou gijzelen
wijzouden gijzelen
julliezouden gijzelen
zijzouden gijzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegijzeld hebben
jijzou gegijzeld hebben
hijzou gegijzeld hebben
wijzouden gegijzeld hebben
julliezouden gegijzeld hebben
zijzouden gegijzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgijzel

Translations

  • sleet, to be in a state in which sleet is falling
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch giselen. Equivalent to gijzel + -en.

    Verbs referencing "gijzelen"

    Old English gislian.

    Additional Information