griezelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of griezelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: griezelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: griezelend
Past participle - Verleden deelwoord: gegriezeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgriezel
jijgriezelt
hijgriezelt
wijgriezelen
julliegriezelen
zijgriezelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegriezeld
jijhebt gegriezeld
hijheeft gegriezeld
wijhebben gegriezeld
julliehebben gegriezeld
zijhebben gegriezeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgriezelde
jijgriezelde
hijgriezelde
wijgriezelden
julliegriezelden
zijgriezelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegriezeld
jijhad gegriezeld
hijhad gegriezeld
wijhadden gegriezeld
julliehadden gegriezeld
zijhadden gegriezeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal griezelen
jijzult griezelen
hijzal griezelen
wijzullen griezelen
julliezullen griezelen
zijzullen griezelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegriezeld hebben
jijzult gegriezeld hebben
hijzal gegriezeld hebben
wijzullen gegriezeld hebben
julliezullen gegriezeld hebben
zijzullen gegriezeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou griezelen
jijzou griezelen
hijzou griezelen
wijzouden griezelen
julliezouden griezelen
zijzouden griezelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegriezeld hebben
jijzou gegriezeld hebben
hijzou gegriezeld hebben
wijzouden gegriezeld hebben
julliezouden gegriezeld hebben
zijzouden gegriezeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgriezel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

huiveren
rillen, sidderen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch griselen, frequentative of grisen (“to shudder, be frightened”) (whence modern afgrijzen).

Additional Information