vijzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vijzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vijzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vijzelend
Past participle - Verleden deelwoord: gevijzeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvijzel
jijvijzelt
hijvijzelt
wijvijzelen
jullievijzelen
zijvijzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevijzeld
jijhebt gevijzeld
hijheeft gevijzeld
wijhebben gevijzeld
julliehebben gevijzeld
zijhebben gevijzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvijzelde
jijvijzelde
hijvijzelde
wijvijzelden
jullievijzelden
zijvijzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevijzeld
jijhad gevijzeld
hijhad gevijzeld
wijhadden gevijzeld
julliehadden gevijzeld
zijhadden gevijzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vijzelen
jijzult vijzelen
hijzal vijzelen
wijzullen vijzelen
julliezullen vijzelen
zijzullen vijzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevijzeld hebben
jijzult gevijzeld hebben
hijzal gevijzeld hebben
wijzullen gevijzeld hebben
julliezullen gevijzeld hebben
zijzullen gevijzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vijzelen
jijzou vijzelen
hijzou vijzelen
wijzouden vijzelen
julliezouden vijzelen
zijzouden vijzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevijzeld hebben
jijzou gevijzeld hebben
hijzou gevijzeld hebben
wijzouden gevijzeld hebben
julliezouden gevijzeld hebben
zijzouden gevijzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvijzel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information