gesticuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gesticuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gesticuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gesticulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesticuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgesticuleer
jijgesticuleert
hijgesticuleert
wijgesticuleren
julliegesticuleren
zijgesticuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesticuleerd
jijhebt gesticuleerd
hijheeft gesticuleerd
wijhebben gesticuleerd
julliehebben gesticuleerd
zijhebben gesticuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgesticuleerde
jijgesticuleerde
hijgesticuleerde
wijgesticuleerden
julliegesticuleerden
zijgesticuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesticuleerd
jijhad gesticuleerd
hijhad gesticuleerd
wijhadden gesticuleerd
julliehadden gesticuleerd
zijhadden gesticuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gesticuleren
jijzult gesticuleren
hijzal gesticuleren
wijzullen gesticuleren
julliezullen gesticuleren
zijzullen gesticuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesticuleerd hebben
jijzult gesticuleerd hebben
hijzal gesticuleerd hebben
wijzullen gesticuleerd hebben
julliezullen gesticuleerd hebben
zijzullen gesticuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gesticuleren
jijzou gesticuleren
hijzou gesticuleren
wijzouden gesticuleren
julliezouden gesticuleren
zijzouden gesticuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesticuleerd hebben
jijzou gesticuleerd hebben
hijzou gesticuleerd hebben
wijzouden gesticuleerd hebben
julliezouden gesticuleerd hebben
zijzouden gesticuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgesticuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French gesticuler. See: French 'gesticuler'.

Additional Information