gebruikmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gebruikmaken

The word "gebruikmaken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gebruikmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gebruikmakend
Past participle - Verleden deelwoord: gebruikmaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgebruikmaak
jijgebruikmaakt
hijgebruikmaakt
wijgebruikmaken
julliegebruikmaken
zijgebruikmaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebruikmaakt
jijhebt gebruikmaakt
hijheeft gebruikmaakt
wijhebben gebruikmaakt
julliehebben gebruikmaakt
zijhebben gebruikmaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgebruikmaakte
jijgebruikmaakte
hijgebruikmaakte
wijgebruikmaakten
julliegebruikmaakten
zijgebruikmaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebruikmaakt
jijhad gebruikmaakt
hijhad gebruikmaakt
wijhadden gebruikmaakt
julliehadden gebruikmaakt
zijhadden gebruikmaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gebruikmaken
jijzult gebruikmaken
hijzal gebruikmaken
wijzullen gebruikmaken
julliezullen gebruikmaken
zijzullen gebruikmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebruikmaakt hebben
jijzult gebruikmaakt hebben
hijzal gebruikmaakt hebben
wijzullen gebruikmaakt hebben
julliezullen gebruikmaakt hebben
zijzullen gebruikmaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gebruikmaken
jijzou gebruikmaken
hijzou gebruikmaken
wijzouden gebruikmaken
julliezouden gebruikmaken
zijzouden gebruikmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebruikmaakt hebben
jijzou gebruikmaakt hebben
hijzou gebruikmaakt hebben
wijzouden gebruikmaakt hebben
julliezouden gebruikmaakt hebben
zijzouden gebruikmaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgebruikmaak

Verbs conjugated like 'gebruikmaken'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'gebruikmaken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From gebruik + maken.

Additional Information