doctoreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doctoreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doctoreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doctorerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoctoreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoctoreer
jijdoctoreert
hijdoctoreert
wijdoctoreren
julliedoctoreren
zijdoctoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoctoreerd
jijhebt gedoctoreerd
hijheeft gedoctoreerd
wijhebben gedoctoreerd
julliehebben gedoctoreerd
zijhebben gedoctoreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoctoreerde
jijdoctoreerde
hijdoctoreerde
wijdoctoreerden
julliedoctoreerden
zijdoctoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoctoreerd
jijhad gedoctoreerd
hijhad gedoctoreerd
wijhadden gedoctoreerd
julliehadden gedoctoreerd
zijhadden gedoctoreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doctoreren
jijzult doctoreren
hijzal doctoreren
wijzullen doctoreren
julliezullen doctoreren
zijzullen doctoreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoctoreerd hebben
jijzult gedoctoreerd hebben
hijzal gedoctoreerd hebben
wijzullen gedoctoreerd hebben
julliezullen gedoctoreerd hebben
zijzullen gedoctoreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doctoreren
jijzou doctoreren
hijzou doctoreren
wijzouden doctoreren
julliezouden doctoreren
zijzouden doctoreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoctoreerd hebben
jijzou gedoctoreerd hebben
hijzou gedoctoreerd hebben
wijzouden gedoctoreerd hebben
julliezouden gedoctoreerd hebben
zijzouden gedoctoreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoctoreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Latin doctorare (“to award or attain a doctorate”).

Additional Information