factoreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of factoreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: factoreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: factorerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefactoreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfactoreer
jijfactoreert
hijfactoreert
wijfactoreren
julliefactoreren
zijfactoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefactoreerd
jijhebt gefactoreerd
hijheeft gefactoreerd
wijhebben gefactoreerd
julliehebben gefactoreerd
zijhebben gefactoreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfactoreerde
jijfactoreerde
hijfactoreerde
wijfactoreerden
julliefactoreerden
zijfactoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefactoreerd
jijhad gefactoreerd
hijhad gefactoreerd
wijhadden gefactoreerd
julliehadden gefactoreerd
zijhadden gefactoreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal factoreren
jijzult factoreren
hijzal factoreren
wijzullen factoreren
julliezullen factoreren
zijzullen factoreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefactoreerd hebben
jijzult gefactoreerd hebben
hijzal gefactoreerd hebben
wijzullen gefactoreerd hebben
julliezullen gefactoreerd hebben
zijzullen gefactoreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou factoreren
jijzou factoreren
hijzou factoreren
wijzouden factoreren
julliezouden factoreren
zijzouden factoreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefactoreerd hebben
jijzou gefactoreerd hebben
hijzou gefactoreerd hebben
wijzouden gefactoreerd hebben
julliezouden gefactoreerd hebben
zijzouden gefactoreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfactoreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information