disputeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of disputeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: disputeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: disputerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedisputeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdisputeer
jijdisputeert
hijdisputeert
wijdisputeren
julliedisputeren
zijdisputeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedisputeerd
jijhebt gedisputeerd
hijheeft gedisputeerd
wijhebben gedisputeerd
julliehebben gedisputeerd
zijhebben gedisputeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdisputeerde
jijdisputeerde
hijdisputeerde
wijdisputeerden
julliedisputeerden
zijdisputeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedisputeerd
jijhad gedisputeerd
hijhad gedisputeerd
wijhadden gedisputeerd
julliehadden gedisputeerd
zijhadden gedisputeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal disputeren
jijzult disputeren
hijzal disputeren
wijzullen disputeren
julliezullen disputeren
zijzullen disputeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedisputeerd hebben
jijzult gedisputeerd hebben
hijzal gedisputeerd hebben
wijzullen gedisputeerd hebben
julliezullen gedisputeerd hebben
zijzullen gedisputeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou disputeren
jijzou disputeren
hijzou disputeren
wijzouden disputeren
julliezouden disputeren
zijzouden disputeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedisputeerd hebben
jijzou gedisputeerd hebben
hijzou gedisputeerd hebben
wijzouden gedisputeerd hebben
julliezouden gedisputeerd hebben
zijzouden gedisputeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdisputeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

twisten
redekavelen, redetwisten

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch disputeren, from Old French disputer, from Latin disputō. See: Latin 'disputō'.

Additional Information