devalueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of devalueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: devalueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: devaluerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedevalueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdevalueer
jijdevalueert
hijdevalueert
wijdevalueren
julliedevalueren
zijdevalueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedevalueerd
jijhebt gedevalueerd
hijheeft gedevalueerd
wijhebben gedevalueerd
julliehebben gedevalueerd
zijhebben gedevalueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdevalueerde
jijdevalueerde
hijdevalueerde
wijdevalueerden
julliedevalueerden
zijdevalueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedevalueerd
jijhad gedevalueerd
hijhad gedevalueerd
wijhadden gedevalueerd
julliehadden gedevalueerd
zijhadden gedevalueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal devalueren
jijzult devalueren
hijzal devalueren
wijzullen devalueren
julliezullen devalueren
zijzullen devalueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedevalueerd hebben
jijzult gedevalueerd hebben
hijzal gedevalueerd hebben
wijzullen gedevalueerd hebben
julliezullen gedevalueerd hebben
zijzullen gedevalueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou devalueren
jijzou devalueren
hijzou devalueren
wijzouden devalueren
julliezouden devalueren
zijzouden devalueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedevalueerd hebben
jijzou gedevalueerd hebben
hijzou gedevalueerd hebben
wijzouden gedevalueerd hebben
julliezouden gedevalueerd hebben
zijzouden gedevalueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdevalueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information