decalqueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of decalqueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: decalqueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: decalquerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedecalqueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdecalqueer
jijdecalqueert
hijdecalqueert
wijdecalqueren
julliedecalqueren
zijdecalqueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedecalqueerd
jijhebt gedecalqueerd
hijheeft gedecalqueerd
wijhebben gedecalqueerd
julliehebben gedecalqueerd
zijhebben gedecalqueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdecalqueerde
jijdecalqueerde
hijdecalqueerde
wijdecalqueerden
julliedecalqueerden
zijdecalqueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedecalqueerd
jijhad gedecalqueerd
hijhad gedecalqueerd
wijhadden gedecalqueerd
julliehadden gedecalqueerd
zijhadden gedecalqueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal decalqueren
jijzult decalqueren
hijzal decalqueren
wijzullen decalqueren
julliezullen decalqueren
zijzullen decalqueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedecalqueerd hebben
jijzult gedecalqueerd hebben
hijzal gedecalqueerd hebben
wijzullen gedecalqueerd hebben
julliezullen gedecalqueerd hebben
zijzullen gedecalqueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou decalqueren
jijzou decalqueren
hijzou decalqueren
wijzouden decalqueren
julliezouden decalqueren
zijzouden decalqueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedecalqueerd hebben
jijzou gedecalqueerd hebben
hijzou gedecalqueerd hebben
wijzouden gedecalqueerd hebben
julliezouden gedecalqueerd hebben
zijzouden gedecalqueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdecalqueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information