denivelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of denivelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: denivelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: denivellerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedenivelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdenivelleer
jijdenivelleert
hijdenivelleert
wijdenivelleren
julliedenivelleren
zijdenivelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedenivelleerd
jijhebt gedenivelleerd
hijheeft gedenivelleerd
wijhebben gedenivelleerd
julliehebben gedenivelleerd
zijhebben gedenivelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdenivelleerde
jijdenivelleerde
hijdenivelleerde
wijdenivelleerden
julliedenivelleerden
zijdenivelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedenivelleerd
jijhad gedenivelleerd
hijhad gedenivelleerd
wijhadden gedenivelleerd
julliehadden gedenivelleerd
zijhadden gedenivelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal denivelleren
jijzult denivelleren
hijzal denivelleren
wijzullen denivelleren
julliezullen denivelleren
zijzullen denivelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedenivelleerd hebben
jijzult gedenivelleerd hebben
hijzal gedenivelleerd hebben
wijzullen gedenivelleerd hebben
julliezullen gedenivelleerd hebben
zijzullen gedenivelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou denivelleren
jijzou denivelleren
hijzou denivelleren
wijzouden denivelleren
julliezouden denivelleren
zijzouden denivelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedenivelleerd hebben
jijzou gedenivelleerd hebben
hijzou gedenivelleerd hebben
wijzouden gedenivelleerd hebben
julliezouden gedenivelleerd hebben
zijzouden gedenivelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdenivelleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information