nivelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nivelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nivelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nivellerend
Past participle - Verleden deelwoord: genivelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknivelleer
jijnivelleert
hijnivelleert
wijnivelleren
jullienivelleren
zijnivelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genivelleerd
jijhebt genivelleerd
hijheeft genivelleerd
wijhebben genivelleerd
julliehebben genivelleerd
zijhebben genivelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknivelleerde
jijnivelleerde
hijnivelleerde
wijnivelleerden
jullienivelleerden
zijnivelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genivelleerd
jijhad genivelleerd
hijhad genivelleerd
wijhadden genivelleerd
julliehadden genivelleerd
zijhadden genivelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nivelleren
jijzult nivelleren
hijzal nivelleren
wijzullen nivelleren
julliezullen nivelleren
zijzullen nivelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genivelleerd hebben
jijzult genivelleerd hebben
hijzal genivelleerd hebben
wijzullen genivelleerd hebben
julliezullen genivelleerd hebben
zijzullen genivelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nivelleren
jijzou nivelleren
hijzou nivelleren
wijzouden nivelleren
julliezouden nivelleren
zijzouden nivelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genivelleerd hebben
jijzou genivelleerd hebben
hijzou genivelleerd hebben
wijzouden genivelleerd hebben
julliezouden genivelleerd hebben
zijzouden genivelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnivelleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French niveler, from Middle French niveler. See: French 'niveler'.

Additional Information