Infinitive - Onbepaalde wijs: dauwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dauwend
Past participle - Verleden deelwoord: gedauwd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| hij | dauwt |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| hij | heeft gedauwd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| hij | dauwde |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| hij | had gedauwd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| hij | zal dauwen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| hij | zal gedauwd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| hij | zou dauwen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| hij | zou gedauwd hebben |