braken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of braken

The word "braken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: braken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: brakend
Past participle - Verleden deelwoord: gebraakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbraak
jijbraakt
hijbraakt
wijbraken
julliebraken
zijbraken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebraakt
jijhebt gebraakt
hijheeft gebraakt
wijhebben gebraakt
julliehebben gebraakt
zijhebben gebraakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbraakte
jijbraakte
hijbraakte
wijbraakten
julliebraakten
zijbraakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebraakt
jijhad gebraakt
hijhad gebraakt
wijhadden gebraakt
julliehadden gebraakt
zijhadden gebraakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal braken
jijzult braken
hijzal braken
wijzullen braken
julliezullen braken
zijzullen braken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebraakt hebben
jijzult gebraakt hebben
hijzal gebraakt hebben
wijzullen gebraakt hebben
julliezullen gebraakt hebben
zijzullen gebraakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou braken
jijzou braken
hijzou braken
wijzouden braken
julliezouden braken
zijzouden braken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebraakt hebben
jijzou gebraakt hebben
hijzou gebraakt hebben
wijzouden gebraakt hebben
julliezouden gebraakt hebben
zijzouden gebraakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbraak

Verbs similar to 'braken'

Translations

  • boot, to vomit
  • brake, to bruise and crush
  • cat, vomit
  • chunder, to vomit
  • erupt, vomit
  • hurl, vomit
  • puke, to vomit
  • retch, to make an effort to vomit
  • spew, to vomit
  • upchuck, to vomit
  • vomit, regurgitate the contents of a stomach
  • yak, vomit
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • nachtbraken (to be up all night)

    Etymology

    From Middle Dutch braken. Equivalent to braak + -en.

    Additional Information