botaniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of botaniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: botaniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: botaniserend
Past participle - Verleden deelwoord: gebotaniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbotaniseer
jijbotaniseert
hijbotaniseert
wijbotaniseren
julliebotaniseren
zijbotaniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebotaniseerd
jijhebt gebotaniseerd
hijheeft gebotaniseerd
wijhebben gebotaniseerd
julliehebben gebotaniseerd
zijhebben gebotaniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbotaniseerde
jijbotaniseerde
hijbotaniseerde
wijbotaniseerden
julliebotaniseerden
zijbotaniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebotaniseerd
jijhad gebotaniseerd
hijhad gebotaniseerd
wijhadden gebotaniseerd
julliehadden gebotaniseerd
zijhadden gebotaniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal botaniseren
jijzult botaniseren
hijzal botaniseren
wijzullen botaniseren
julliezullen botaniseren
zijzullen botaniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebotaniseerd hebben
jijzult gebotaniseerd hebben
hijzal gebotaniseerd hebben
wijzullen gebotaniseerd hebben
julliezullen gebotaniseerd hebben
zijzullen gebotaniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou botaniseren
jijzou botaniseren
hijzou botaniseren
wijzouden botaniseren
julliezouden botaniseren
zijzouden botaniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebotaniseerd hebben
jijzou gebotaniseerd hebben
hijzou gebotaniseerd hebben
wijzouden gebotaniseerd hebben
julliezouden gebotaniseerd hebben
zijzouden gebotaniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbotaniseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information