Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: beweren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bewerend
Past participle - Verleden deelwoord: beweerd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | beweer |
| jij | beweert |
| hij | beweert |
| wij | beweren |
| jullie | beweren |
| zij | beweren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb beweerd |
| jij | hebt beweerd |
| hij | heeft beweerd |
| wij | hebben beweerd |
| jullie | hebben beweerd |
| zij | hebben beweerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | beweerde |
| jij | beweerde |
| hij | beweerde |
| wij | beweerden |
| jullie | beweerden |
| zij | beweerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had beweerd |
| jij | had beweerd |
| hij | had beweerd |
| wij | hadden beweerd |
| jullie | hadden beweerd |
| zij | hadden beweerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal beweren |
| jij | zult beweren |
| hij | zal beweren |
| wij | zullen beweren |
| jullie | zullen beweren |
| zij | zullen beweren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal beweerd hebben |
| jij | zult beweerd hebben |
| hij | zal beweerd hebben |
| wij | zullen beweerd hebben |
| jullie | zullen beweerd hebben |
| zij | zullen beweerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou beweren |
| jij | zou beweren |
| hij | zou beweren |
| wij | zouden beweren |
| jullie | zouden beweren |
| zij | zouden beweren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou beweerd hebben |
| jij | zou beweerd hebben |
| hij | zou beweerd hebben |
| wij | zouden beweerd hebben |
| jullie | zouden beweerd hebben |
| zij | zouden beweerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'beweren'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'beweren'
begeren,
beheren,
beieren,
bekeren,
beleren,
beteren,
bewaren,
bewegen,
bewerken,
bezeren,
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Tegen den avond verzochten de stuurman en de bootsman den kapitein, dat zij den fokkemast mogten kappen; waartoe hij weinig lust had; doch de bootsman beweerde, dat, zoo het niet gebeurde, het schip zinken moest. Toen het geschied was stond de groote mast zoo los, en gaf het schip zulke geweldige rukken, dat wij verpligt waren dien ook te kappen, en niets [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] schoon in bezadigde oogenblikken mijne rede en mijn gezond oordeel mij aanrieden, naar het ouderlijk huis te gaan, kon ik er niet toe besluiten. Ik weet niet hoe ik dit noemen zal; ik wil ook niet beweren, dat eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven. Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen, en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
1. From a merger of two Middle Dutch verbs:
2. * Middle Dutch beweren, an eastern variant of bewaren (“to prove”), from waer (“true”) (modern waar). Equivalent to waar + be- -en.
3. * Middle Dutch beweren, equivalent to be- + weren (“to defend against, to hold back”). Closely related to bewaren (“to uphold, to stand one's ground”) (modern bewaren).
Verbs referencing "beweren"
German, old spelling
bewehren.
Additional Information