baken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of baken

The word "baken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: baken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bakend
Past participle - Verleden deelwoord: gebaakt

Cognates

See the 3 cognates of baken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbaak
jijbaakt
hijbaakt
wijbaken
julliebaken
zijbaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebaakt
jijhebt gebaakt
hijheeft gebaakt
wijhebben gebaakt
julliehebben gebaakt
zijhebben gebaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbaakte
jijbaakte
hijbaakte
wijbaakten
julliebaakten
zijbaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebaakt
jijhad gebaakt
hijhad gebaakt
wijhadden gebaakt
julliehadden gebaakt
zijhadden gebaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal baken
jijzult baken
hijzal baken
wijzullen baken
julliezullen baken
zijzullen baken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebaakt hebben
jijzult gebaakt hebben
hijzal gebaakt hebben
wijzullen gebaakt hebben
julliezullen gebaakt hebben
zijzullen gebaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou baken
jijzou baken
hijzou baken
wijzouden baken
julliezouden baken
zijzouden baken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebaakt hebben
jijzou gebaakt hebben
hijzou gebaakt hebben
wijzouden gebaakt hebben
julliezouden gebaakt hebben
zijzouden gebaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbaak

Verbs similar to 'baken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "baken"

English beacon.

Additional Information