arbitreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of arbitreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: arbitreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: arbitrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gearbitreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikarbitreer
jijarbitreert
hijarbitreert
wijarbitreren
julliearbitreren
zijarbitreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gearbitreerd
jijhebt gearbitreerd
hijheeft gearbitreerd
wijhebben gearbitreerd
julliehebben gearbitreerd
zijhebben gearbitreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikarbitreerde
jijarbitreerde
hijarbitreerde
wijarbitreerden
julliearbitreerden
zijarbitreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gearbitreerd
jijhad gearbitreerd
hijhad gearbitreerd
wijhadden gearbitreerd
julliehadden gearbitreerd
zijhadden gearbitreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal arbitreren
jijzult arbitreren
hijzal arbitreren
wijzullen arbitreren
julliezullen arbitreren
zijzullen arbitreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gearbitreerd hebben
jijzult gearbitreerd hebben
hijzal gearbitreerd hebben
wijzullen gearbitreerd hebben
julliezullen gearbitreerd hebben
zijzullen gearbitreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou arbitreren
jijzou arbitreren
hijzou arbitreren
wijzouden arbitreren
julliezouden arbitreren
zijzouden arbitreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gearbitreerd hebben
jijzou gearbitreerd hebben
hijzou gearbitreerd hebben
wijzouden gearbitreerd hebben
julliezouden gearbitreerd hebben
zijzouden gearbitreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijarbitreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bemiddelen
interveniëren

Sample Sentences

Etymology

Additional Information