afspelden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afspelden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afspelden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afspeldend
Past participle - Verleden deelwoord: afgespeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspeld af
jijspeldt af
hijspeldt af
wijspelden af
julliespelden af
zijspelden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgespeld
jijhebt afgespeld
hijheeft afgespeld
wijhebben afgespeld
julliehebben afgespeld
zijhebben afgespeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspeldde af
jijspeldde af
hijspeldde af
wijspeldden af
julliespeldden af
zijspeldden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgespeld
jijhad afgespeld
hijhad afgespeld
wijhadden afgespeld
julliehadden afgespeld
zijhadden afgespeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afspelden
jijzult afspelden
hijzal afspelden
wijzullen afspelden
julliezullen afspelden
zijzullen afspelden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgespeld hebben
jijzult afgespeld hebben
hijzal afgespeld hebben
wijzullen afgespeld hebben
julliezullen afgespeld hebben
zijzullen afgespeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afspelden
jijzou afspelden
hijzou afspelden
wijzouden afspelden
julliezouden afspelden
zijzouden afspelden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgespeld hebben
jijzou afgespeld hebben
hijzou afgespeld hebben
wijzouden afgespeld hebben
julliezouden afgespeld hebben
zijzouden afgespeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspeld af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information